Geboren te Leiden in 1532 en in 1584 overleden te Gouda.
Al op jeugdige leeftijd was hij een overtuigd aanhanger van de nieuwe leer en ook van Willem van Oranje. Hij sloot zich aan bij het verbond der Edelen en tekende het compromis. Van Swieten was er bij toen op 5 april 1566 het smeekschrift werd overhandigd aan Margaretha van Parma. In 1567 weigert hij de eed ven trouw aan de koning af te leggen. Van Swieten stond dan ook boven aan de lijst met namen van de 47 Leidse burgers die zich voor de rechtbank van Alva moesten verantwoorden.Hij werd ervan beschuldigd hagepreken te hebben bijgewoond. Gelukkig werd hij op tijd gewaarschuwd. Op 3 maart 1568 vluchtte hij naar Embden en bood zijn diensten aan aan Willem van Oranje. Van Swieten was een van de eerste Watergeuzen die van de Prins een kapers brief kreeg. De Prins stuurde van Swieten vaak voor belangrijke onderhandelingen naar het buitenland. Ook zamelde hij geld in voor de Prins. Begin 1572 was hij voor een opdracht van de Prins in Engeland. Vandaar moest hij terug naar Embden en daarom voer hij mee op de geuzenvloot die vanwege een zware storm voor den Briel moest ankeren. Hij behoorde bij de groep geuzen die Lumey (Willem van der Marck) overhaalden in den Briel te blijven in plaats van alleen maar de stad te plunderen en dan weer te vertrekken. Na de val van den Briel trok hij met zijn mannen het land in en wist in drie dagen tijd drie steden voor de Prins te winnen: Oudewater, Woerden en Gouda. Van Swieten werd door de Prins benoemd tot gouverneur van Gouda en ging in het kasteel van Gouda wonen. Het kasteel in Gouda moest op last van het stadsbestuur echter worden afgebroken. Toen in 1575, vooral door toedoen van van Swieten de Spanjaarden het beleg van het kasteel van Woerden hadden opgebroken, ging van Swieten op het kasteel te Woerden wonen. In 1583 ging hij terug naar Gouda waar hij een jaar later overleed.