JACOB CABELIAU

Echte naam: Jacques Cabiliau, Heer van Mulhem.

Geboren te Oudenaerde in januari 1527 –overleden te Alkmaar 22 februari l574.

Telg van een adelijke en rijke familie. Werd al op jonge leeftijd aanhanger van de nieuwe leer.Werd veroordeeld en verbannen. Op 6 juli l569 werd hij door zijn vader en zijn stiefmoeder ( zijn echte moeder stierf in het kraambed na de bevalling van Jacob)

onterfd. ( De ontervings-acte bevindt zich nog in het archief van de stad Oudenaarde).

Hij sloot zich aan bij de watergeuzen en was kapitein van een der schepen die deelnamen

aan de inname van Den Briel op 1 april 1572. Cabeliau was een van de kapiteins die er bij admiraal Lumey op aandrongen Den Briel voor de prins van Oranje behouden en er hun thuishaven van te maken. In mei 1572 verklaarde ook Enkhuizen zich “voor de Prins” Lumey stuurde hem, samen met enkele andere kapiteins, waaronder Nicolaas Ruichaver,

naar Enkhuizen. Het gelukte hem ook het door de Spanjaarden bezette kasteel van Medemblik te overmeesteren. Prins Willem benoemde Cabeliau als gouverneur van deze stad. Na onderhandelingen met het stadsbestuur koos ook Hoorn de zijde van de opstandelingen.

In de winter van 1573 werd Cabeliau door de Prins naar Almaar gestuurd, maar hij werd daar niet binnengelaten. Hij verschanste zich in Egmond-binnen en deed zijn beklag bij Sonoy in Enkhuizen. Toen Haarlem gevallen was benoemde Prins Willem Cabeliau tot gouverneur van Alkmaar. Oranje schreef het stadsbestuur van Alkmaar een brief met het bevel om Cabeliau met zijn soldaten binnen te laten in de stad. Maar het stadsbestuur bleef aarzelen. Toen de Spanjaarden op 16 juli voor de ene poort stonden (de Kennemer) en de Geuzen voor de andere (De Friese poort) , hakte burgemeester van Teylingen de knoop door. Hij gaf opdracht de Geuzen binnen te laten . Hij sprak hierbij de beroemd geworden woorden dat hij met de Prins wilde leven en sterven. De Geuzen trokken meteen door de stad naar de Kennemer poort en joegen de Spanjaarden teug naar Heilo.

Op 21 augustus 1573 begon het beleg door de Spaanse troepen. Cabeliau was bevelhebber van de stad maar kon wegens ziekte niet zelf aan de strijd deelnemen.

Op 18 september was het hoogte punt van de strijd toen de Spanjaarden probeerden de stad door de Friese poort binnen te dringen. Cabeliau was daar wel bij aanwezig. De nood was hoog en hij schreef Sonoy een brief met het verzoek om de stad te hulp te komen en om de dijken door te steken. De brief werd mede ondertekend door de andere kapiteins. ( zie polsstokbrief) Aan het verzoek van Cabeliau werd voldaan

Toen de dijken waren doorgestoken kwamen de Spanjaarden tot hun knieën in het water te staan. Op 8 october namen ze de benen.

Na de bestorming op 18 september kreeg Cabeliau hoge koorts. Hij werd verpleegd in het Hooge Huis waar hij op 22 februari 1574 overleed. De volgende dag werd hij begraven. Waar hij werd begraven, is niet bekend. In het begrafenisregister van de Grote Kerk staat zijn naam niet vermeld.

De succesvolle verdediging van Alkmaar was de grote ommekeer in de tachtigjarige oorlog.

IN ALKMAAR BEGINT DE VICTORIE.